Het leven wordt geleefd
naar de toekomst toe
en wordt herlezen
naar het verleden toe.
(Sören Kiekegaard)
De afgelegde weg
The Way
Proloog
Om elkaar beter te begrijpen en om de virtuele barrière te doorbreken, zou ik u graag laten weten wie ik ben, en waarom ik heb besloten, samen met mijn vrouw, om een site te maken.
Deze laatste is altijd en nog altijd mijn trouwe metgezellin en medewerkster.
Ze helpt me op een efficiënte manier om juist opzoekwerk te verrichten in de publicaties van het Genootschap. Ze gaat de bijbelsteksten na en de juistheid van de ontwikkelde punten,pagina per pagina.Ik zal u mijn leeftijd niet onthullen, maar zoals een wijze Chinees zou zeggen, de auteur die zich aan u voorstelt heeft reeds meer dan negenhonderd manen kunnen aanschouwen.
Hoofdstuk 1
Ik ben geboren in een katholieke familie.
Mijn moeder is gestorven wanneer ik amper 15 jaar was, mijn zuster was er maar 8.
Mijn vader heeft zich helemaal alleen van zijn taak moeten kwijten om ons tweetjes groot te brengen en op te voeden. Hij had een slechte gezondheid, want hij had 5 jaar als oorlogsgevangene moeten uitzitten (40-45) in een Duits gevangenkamp. Hij is gestorven in 1972.Ik was al heel vroeg geïnteresseerd inde studie van oude documenten en in het bijzonder in de bijbelse tekstverklaring. Wat had ik graag archeologie willen studeren, en egyptologie trok me erg aan, maar de financiële situatie van mijn familie maakte dat ik mijn droom niet kon verwezenlijken.
Wat de Heilige Schrift betreft, ik moet toegeven dat de religie waartoe ik behoorde, het niet nodig vond dat ik me daarin zou verdiepen.Die periode? Ik spreek u over de jaren 50.
In 1951 moest ik een lange militaire dienst van 21 maanden uitzitten bij het leger dat gestationeerd was in Duitsland. Mijn kamergenoten waren verwonderd, men kan zich dat wel voorstellen, dat er zich tussen alle andere boeken die op mijn nachtkastje stonden, een Bijbel bevond.1953 was een jaar van veranderingen.
Eerst en vooral, heb ik het geluk gehad om een stabiele en goed betaalde job in een belangrijke firma te mogen uitoefenen.
Ik maakte eveneens in 1953 kennis met iemand die later mijn vrouw zou worden.
Zij kwam eerder uit een ongelovig milieu, zonder daarom antiklerikaal te zijn. Zoals zovele, gingen haar ouders naar de kerk voor de gebruikelijke ceremonies zoals een doop, een plechtige communie, een huwelijk of een begrafenis.
Als goede praktiserende gelovige, probeerde ik haar de grondbeginselen van mijn katholiek geloof bij te brengen.Ook in datzelfde jaar ontmoette ik een koppel dat rechtover ons huis woonde. Het was een heel sympathiek koppel Jehovah’s getuigen.
Ik was heel vlug onder de indruk van hun vriendelijkheid en hun gretigheid om me te helpen.
Ik zei bij mezelf dat ik bij hen eindelijk mijn intieme wens kon bevredigen: namelijk om intens het Woord van God te peilen.Ze stelden me een bijbelstudie voor, een studie die ik aanvaardde en heel gewetensvol doorgaf aan mijn toekomstige echtgenote die ook heel gelukkig was met zo’n onderwijs, want wat ik haar had verteld over het katholicisme was maar vaag en moeilijk te begrijpen.
Wel moet ik toegeven dat deze Getuigen geduld nodig hadden met mij, want het heeft drie jaar geduurd vooraleer ik overtuigd was dat datgene wat ze me vertelden, de “Waarheid” was.Op 2 april 1956, werden mijn verloofde en ik gedoopt (in een privé huis, in een badkuip, iets wat toen gebruikelijk was) en op 30 juni 1956 trouwden we, officieel in het Gemeentehuis, en religieus in de Koninkrijkszaal.
We moesten echter een eerste moeilijkheid doorstaan. Slechts mijn vader, mijn zuster en enkele dichte familieleden waren bij het huwelijk aanwezig, de ouders van mijn vrouw kwamen niet.Dat bevestigde alleen maar dat we in de ware religie waren, want de vervolging door Jezus voorzegd, ondervonden we maar al te goed.
Hoofdstuk 2
We werden actieve Getuigen van Jehovah.Van 1956 tot 1976 dienden we in verschillende gemeenten te Brussel.
Al heel vlug werd ik tot dienaar benoemd (assistent gemeentedienaar) en daarna “ouderling” (opziener).Wanneer we naar een andere gemeente verhuisden, was dit altijd omdat men ons vanuit Bethel gevraagd had, om daar te helpen “waar de nood het hoogst was”.
Ik behield dus automatisch mijn “voorrecht” van ouderling terwijl we veranderden van gemeente.In 1966, begon mijn vrouw met de gewone pioniersdienst. Ze heeft daarin “stand kunnen houden” gedurende 10 jaar, ondanks haar parttime baan en ook ondanks het feit dat het Genootschap toen eiste om 100 uur prediking per maand te volbrengen. En iemand die er niet toe kwam om zijn verplichtingen na te komen, werd gemakkelijk uit die dienst geroyeerd.
Het is goed om te weten dat het leven van de Getuigen moeilijker was dan nu !
Bijvoorbeeld, sommige congressen duurden 8 dagen (zoals in 1963). Wat de kleinere betreft, de kringvergaderingen, die begonnen op vrijdag in de namiddag om te eindigen op zondag, om 21 uur.
De wekelijkse vergaderingen duurden ook veel langer.
Het Genootschap legde voor elke verkondiger een quotumvereiste van 10 uur prediking per maand op.
Deze 10 uur waren een overwegend criterium om het voorrecht om “dienaar” of “ouderling”te worden.Gedurende die 20 jaren, konden we een deel vreugde, maar ook een deel verdriet meemaken.
Ziehier een anekdote zoals zoveel andere, maar het schildert toch een beetje het “klimaat” van die tijd.
Ik had een oom die op zijn werk de verantwoordelijkheid kreeg om de eerste uitzendingen te behartigen die in ons land zouden worden vertoond. Daardoor hadden wij heel vroeg al een T.V. (een “televisiepost” zoals men het toen noemde).
De zure kritiek hierover mankeerde niet :” Het is een instrument van de duivel.” “Die televisiepost zal al je tijd opslokken en zal de oorzaak zijn dat je niet meer naar de vergaderingen komt”, “de televisie is een valstrik, dat is niets voor een christen” enz…
Wat niet wegneemt, dat veel Getuigen bij ons kwamen om ernaar te kijken.
Tussen haakjes gezegd, een tijd later, konden we dezelfde kritiek ondervinden ten aanzien van de kleurentelevisie en de videorecorders.We hebben heel veel lieve broeders en zusters ontmoet, maar er waren er anderen, helaas, die minder lief waren.
We kunnen ons nog heel goed een ouderling herinneren die de “groepsdienaar” was en steeds zijn eigen ideeën opdrong op het gebied van organiseren. Wanneer anderen met suggesties afkwamen moest hij steeds het laatste woord hebben.
Hij hield ervan om zijn broeders te tiranniseren.
Om een voorbeeld te noemen, hij organiseerde ouderlingenvergaderingen op het onverwachts.
Daar hij wist dat we graag naar een voetbalmatch zouden kijken op het kleine scherm, koos hij speciaal die avond uit om ons bijeen te roepen.
Hij stak zijn bedoelingen niet onder stoelen of tafels, je kon op zijn gezicht het plezier zien “omdat hij ons had gekregen waar hij wilde”.
Daar ik niet akkoord ging met zijn manier van doen, trachtte hij zich te wreken door aan alle kanten te proberen ons te doen “struikelen in de waarheid”, zowel mijn vrouw als ik.
Hij nam zelf veel moeite om ons huwelijk stuk te maken door plannen te smeden en leugens uit te vinden.
Maar we hielden stand, kracht puttend uit dit kleine zinnetje: “Laten we naar Jehovah opkijken en niet naar mensen”.De jaren 60 waren de jaren waar het Genootschap grote nadruk legde bij de gehuwde paren om geen kinderen te krijgen.
Daar het einde van “dit slechte samenstel van dingen” in zicht was, stond de nieuwe wereld voor de deur. Zou het niet beter zijn om het heel nabije duizendjarig rijk van vrede af te wachten, vooraleer kinderen te maken, want zo konden we ons gemakkelijker beschikbaar maken om de Heer te dienen in de prediking van het Koninkrijk?Wij behoorden bij die Getuigen die, toen, deze “wijze” woorden in praktijk zetten. We hebben dus geen kinderen.
Er veranderde ook heel veel wat de leerstellingen betrof. Maar die bezagen we toen als “nieuw licht”.
Zo kunnen we ons nog heel goed de “superieure autoriteiten” herinneren, aangehaald door de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen. Ze waren niet meer Jehovah en Jezus Christus, maar werden “ de regeringen van deze wereld”.
Dit was in werkelijkheid geen nieuwe “openbaring” aangezien de organisatie terugkwam op een interpretatie die Charles Russell al had naar voor gebracht.
Hoofdstuk 3
In 1976 moest ik verhuizen, vanwege mijn werk van Brussel naar Antwerpen.In deze grote stad, die een metropool was van België, was er een kleine kern van Franssprekende Getuigen. Inderdaad, Antwerpen ligt in het noorden van het land en de Getuigen daar zijn Nederlandssprekend.
We voegden ons bij hen in 1978.
Toen vroeg het Genootschap ons per brief of we wilden meehelpen met het stichten van een Engelssprekende gemeente.
Daar ik voor een firma werkte waar de hoofdzetel in Groot-Brittannië was gevestigd, had ik een goed begrip van die taal, al was het meer gericht op technisch gebied.
Mijn vrouw kende weinig van die taal ; ze had zelden de kans om het in praktijk om te zetten.
Zo dienden wij in de engelse gemeente van 1978 – 1990. Van een “embryo” bestaande uit 8 broeders en zusters evolueerden we heel vlug naar een twintigtal verkondigers.
Deze twaalf jaren waren tamelijk kalm.
Ik diende als ouderling en mijn vrouw, die om gezondheidsredenen gestopt was met de pioniersdienst en vooral vanwege de afstanden die moesten afgelegd worden, bleef zoveel mogelijk van deur tot deur gaan, en haalde elke maand 20 à 25 uur.Op mijn werk in 1989 kreeg ik de kans om op prepensioen (de VUT-regeling) te gaan aan heel voordelige condities.
Ik aanvaardde zonder te twijfelen.
Hoofdstuk 4
Het Genootschap vroeg mij in 1990 om terug te keren als ouderling in de franse gemeente die gegroeid was sinds ons vertrek in 1978.
Er waren voor het ogenblik genoeg ouderlingen bij de Engelssprekenden, maar een groot tekort bij de Franssprekenden.We deelden dezelfde Koninkrijkszaal met elkaar, dus was het geen al te groot verschil.
Daar werd ik presiderende opziener.
Noteer evenwel dat dit ambt soms in een slecht daglicht staat, zowel voor de eenvoudige verkondigers als voor de andere ouderlingen
. Ten slotte is hij maar de coördinator of de voorzitter van het lichaam van ouderlingen, maar velen denken dat hij verantwoordelijk is voor alles wat er zich in de gemeente afspeelt.
Wanneer een ‘broeder X’ presiderende opziener is, zegt men dan niet dikwijls : “Dat is de gemeente van ‘broeder X’ ?”
Zo gebeurt het nog wel dat wanneer een ouderling moeite heeft om een vraag te beantwoorden van een broeder of een zuster, men dikwijls de volgende opmerking maakt :” vraag het maar aan de presiderende opziener.” (de p.o.)
Of wanneer iets niet klopt : ‘t Is de schuld van de presiderende opziener.”Alles begon te wankelen in 1996. Dat wat we opgebouwd hadden en waarvan we dachten dat het sterk was begon in elkaar te storten zoals een kaartenhuisje.
Letterlijk genomen in zo’n situatie moet je maar een kaart wegnemen bij de basis en het gehele gebouw stort in.
Hoofdstuk 5
De jaren doorgebracht in die laatste gemeente waren de pijnlijkste.
Ze bestond (en het is nog steeds zo, naar het schijnt) uit verschillende personen die elkaar verscheurden en kibbelden om voor het even wat.Toen mijn vrouw en ik naar de vergadering gingen, stelden we ons dikwijls de eeuwige vraag : ”Wat zal weer het probleem zijn, vandaag ?” “Wanneer zullen we thuis zijn, vanavond ?” ”Zal er weer een ‘dringende’ vergadering bijeen geroepen worden met de ouderlingen ?”
Als “onderdanige vrouw” wenste mijn echtgenote natuurlijk niet op de hoogte te zijn van de werkelijke of ingebeelde problemen die de verkondigers maakten.
Daar we echter 25 km van de Koninkrijkszaal af woonden, moest ze natuurlijk wachten op mij.
Ze was snugger genoeg om te begrijpen dat er iets haperde.
Het gebeurde meer dan eens dat Getuigen elkaar beledigden in het openbaar in de Koninkrijkszaal, zelfs waar “geïnteresseerden” bij waren.Toen ik soms durfde een aanmerking te maken bij iemand, dan bekeek men mijn vrouw niet meer gedurende dagen, en het liep soms uit op weken.
Mijn gezondheid ondervond de gevolgen daarvan.
Ik begon een grote hoeveelheid kalmeermiddelen in te nemen. Ik had oncontroleerbare aanvallen waar ik plots begon te wenen.Ook de gezondheid van mijn vrouw ging zienderogen achteruit.
De stormen in de gemeente hadden hun weerslag in het hart van ons gezin.
Op een dag vertelde een ouderling zonder een blad voor zijn mond te nemen :” Indien het hier niet gaat zoals het moet, dan is dat de schuld van het hoofd !”
Ik was altijd overtuigd dat het hoofd van de gemeente Christus was. Maar ik wist maar al te goed dat men het op mij had gemunt !
Hoofdstuk 6
Nu begonnen de gebeurtenissen te escaleren.Daar de gemeente ziek was, en de ziekte te wijten was aan het hoofd, was ik uiteraard de schuldige. Het was beter om mijn ambt als ouderling op te geven; wat ik dan ook deed in oktober 1996.
Van het moment dat men in het openbaar mijn “ontslag”aankondigde in de “dienstvergadering”, werd ik beschouwd als een uitgeslotene.
Voordien had ik moeite om iedereen te groeten bij het binnen komen in de zaal, omdat men mij direct in beslag nam om een probleem naar voor te brengen of om me vragen te stellen, nu was het een complete leegheid.
Men wilde me amper nog groeten. Ik was niets meer, noch voor de ouderlingen, noch voor de broeders en zusters, zelfs niet voor de kinderen.Ja, sommige kinderen stopten ermee om dicht bij mij te komen. Hadden ze instructies gekregen van hun ouders ?
Het zal u niet verwonderen, wanneer ik jullie vertel dat mijn vrouw eveneens in de brokken deelde.
Maar ondanks al deze moeilijkheden, bleven we de gemeente dienen, alhoewel we erg van streek waren.
Hoofdstuk 7
Mijn vertrouwen in de organisatie werd enkele maanden voordien al ferm op de proef gesteld.De ouderlingen hadden een brief ontvangen die hen richtlijnen gaf hoe te handelen met een persoon die zich wenste te laten dopen, maar die aids had.
Deze brief vermeldde dat er speciale maatregelen dienden getroffen te worden ten aanzien van zo’n persoon.
De maatregel was dat de persoon in kwestie tijdens de doop op het laatst zou gedoopt worden, maar wat nog beter was, om hem of haar te laten dopen in een privé-bad.Ik heb nooit dit “segregationisme” kunnen begrijpen of aanvaarden.
Iedereen weet toch dat je aids niet op die manier kunt krijgen !
Maakt men ook zo’n onderscheid tussen aids-lijders en de anderen die een zwembad bezoeken ?
Zeker en vast niet.Wat valt er te zeggen over de belediging, de diepe krenking die men de zieke aandoet, wanneer men hem of haar meedeelt wat de inhoud betreft van die “speciale instructies “ die komen van de Watch Tower ?
Ik begon te begrijpen dat de organisatie erg beïnvloed was door een “americanisme” van slecht allooi.
Het was een vrees om besmet te worden, een verspreide vrees in de rangen van de “high- society” aan de andere kant van de Atlantische Oceaan.Een andere brief gericht aan de ouderlingen, deed me nog meer pijn. Het ging over pedofilie.
Hoe moest men een pedofiel aanpakken die een lid was van de christelijke gemeente ? Moesten de ouderlingen hem aangeven bij de autoriteiten ?
“Neen”, zei het Genootschap,”want in zo’n geval moeten de ouderlingen op hun kerkelijk rech staan,iets wat overeenkomt met het “biechtgeheim” !Nu, dit was eens een gelegenheid waarbij de Watch Tower graag iets nadeed van de kerk ; wat een zeldzaamheid was.
Wel, hoe moesten de ouderlingen nu reageren bij een pedofiliekwestie ?
Het Genootschap inlichten, die op haar beurt “zich zou belasten met de nodige maatregelen.”Wat het slachtoffer (of zijn familie) betreft, zij heeft (hebben) het recht om hun zaak voor Justitie te brengen, maar…, er is een “maar” !
Inderdaad, wordt de pedofiel automatisch uitgesloten ? Neen, want als hij oprecht berouw heeft van zijn walgelijke daad, zal hij ondanks dit alles in de gemeenschap van zijn broeders mogen blijven.
Toch geeft het Genootschap instructies dat de leden hun broeder niet voor het gerecht mogen dagen ! We moeten er waarschijnlijk geen tekeningetje bij maken, zeker ?
Hoofdstuk 8
Omdat ik in 1996 wat meer tijd vrij had, abonneerde ik me op het Internet.Per toeval ontdekte ik een ophefmakend document dat we als volgt kunnen samenvatten :
In 1933 probeerde de Watch Tower een verdrag te sluiten met Hitler en zijn nazi regime. Doel : het beschermen van zijn vele bezittingen die zich op Duits grondgebied bevonden onder de directie van het Maagdenburgse bijkantoor.
Tijdens een lezing die werd gehouden op een vergadering gehouden te Berlijn, bevestigde het Genootschap dat ze het eens was met de idealen van het nationaal-socialisme (nazisme).
De Joden, “de Big Business”, waren de oorzaak van alle kwaad, zowel in Amerika als in Duitsland, en een beetje overal.Ze wenste dat de oorzaak van alle kwaad zou verdwijnen.
In een brief gericht aan Hitler, waarin het Genootschap hem “Beste Kanselier van het Rijk”, noemde herbevestigde ze haar gehechtheid aan Duitsland en zijn verheven principes.
Hoofdstuk 9
Dit document raakte me op een bijzonder manier. Ik ben opgevoed in mijn prille jeugdjaren door een joodse familie. Daar mijn ouders moeite hadden om “de eindjes aan elkaar te knopen”, werkten ze allebei. De werkdagen waren lang…we waren toen in 1931.‘s Morgens werd ik toevertrouwd aan deze familie die dicht bij ons woonde en dan kwam men me ’s avonds ophalen. Zo bleef ik daar op die manier tot mijn 6 jaar.
Veel later heb ik vernomen dat die Joden, die zich zo goed over mij ontfermd hadden en ook een steun waren voor mijn ouders, gestorven zijn in de concentratiekampen.
Ik nam me voor om een kopie te sturen naar Bethel, en vroeg hen of ze konden bevestigen of dit een vals document was.
Zo schreef ik naar de broeders van Bethel dat ik de laatste maanden al heel wat beproevingen onder ogen had moeten zien, en dat het niet nodig was dat zo’n zaak mijn ontmoediging nog meer in de hand zou werken.
We hebben een lange tijd zitten wachten voordat we hierop een antwoord kregen.
Toen we uiteindelijk nieuws kregen, was dit de volledige ineenstorting voor het vertrouwen dat we hadden in de organisatie :
Het Genootschap zei dat men moest bekijken onder welke omstandigheden dit document werd geschreven (ze gaf dus wel degelijk de authenticiteit ervan toe), dat de president van de Watch Tower toen – J. Rutherford - niet op de hoogte was van de niet-gekende doelstellingen van Hitler (de zaak speelde zich af in 1933 en Hitler had zijn haat tegen de Joden al niet onder stoelen en banken gestoken sedert het begin van de jaren ’20), … en om daarmee te eindigen gaf het Genootschap mij te verstaan dat ik het engels niet genoeg machtig was om dit te begrijpen. (want ze vertaalden voor mij enkele zinnen, van een heel eigenaardige strekking).
Ze waren blijkbaar vergeten (maar ze heeft al dikwijls een kort geheugen gehad ) dat we gedurende 12 jaar deel hebben uitgemaakt van een Engelssprekende gemeente !
Hoofdstuk 10
Het fragiele kaartenhuisje stortte volledig in.In maart 1997 stopten we met het bezoeken van de vergaderingen van de Getuigen.
Er was nog een groot werk te doen.
De kaarten lagen bezaaid op de grond, verspreid liggend, wanordelijk.
Het was van vitaal belang om ze op te rapen en ze één voor één nauwkeurig aan een onderzoek te onderwerpen.Het kwam erop neer dat sommige kaarten de leringen bevatten die de organisatie ons had geleerd gedurende ons leven.
Andere kaarten kwamen overeen met de uitleg gehaald uit de “Nieuwe Wereld Vertaling” om aldus hun leringen te ondersteunen.
Vergeet echter niet dat vroeger de enige vertaling die we gebruikten op de vergaderingen en in de prediking de vertaling was van Louis Segond.
Wanneer we van deur tot deur gingen of op bijbelstudies waren, dan nodigden we de personen uit om hun eigen exemplaar van de Heilige Schrift te gebruiken, of het nu een katholieke of een protestantse vertaling was.
In de jaren 60, kwam de Watch Tower in het bezit van een eigen vertaling en onmerkbaar, met de tijd, was het de enige die telde.Tenslotte waren er van de op de grond gevallen kaarten enkele die de structuur van organisatie omvatten.
Was ze wel de organisatie van God zoals ze beweerde te zijn ?
Elke kaart werd serieus onder de loupe genomen.
Wat de Nieuwe Wereld Vertaling betrof, ik begon weer mijn oud Grieks op te rakelen !
U kunt enkele resultaten van dit onderzoek nagaan op deze site.
Hoofdstuk 11
Wat mijn vrouw en mij heeft geholpen, is het idee dat er een verschil is tussen God en de organisatie.De organisatie is niet God, en God is niet de organisatie.
Het is niet omdat men de Watch Tower verlaat dat men alle hoop moet opgeven, zoals men ons maar al te graag wil doen geloven.
We hebben nooit een brief gestuurd “een brief waarbij we ons zouden terugtrekken uit de gemeente”, want voor de Getuigen, is dit een verloochening van het geloof en de christelijke hoop (we geven hier geen kritiek aan die mensen die naar eer en geweten, wel zo’n brief hebben geschreven).
In feite zijn we wel “virtueel” uitgesloten, alhoewel men het nooit heeft meegedeeld.
Een ding is zeker : geen enkele Getuige neemt nog contact met ons op ; we zijn als de pest voor hen.
De organisatie prent haar volgelingen in dat buiten zijzelf, de wereld corrupt is en alle andere religies satanisch.
Dat is ook de reden waarom velen die zich terugtrekken uit de organisatie of uitgesloten zijn zich niet meer aansluiten bij een andere kerk.
Hoofdstuk 12 en Slot.
We waren gedurende 41 jaar Getuigen van Jehovah.
Was dit allemaal verloren tijd ?Dat denken we niet.
We hebben gelukkige momenten mogen beleven, en we hebben uitstekende vrienden gehad in de organisatie.
We nemen het niemand kwalijk dat ze ons pijn hebben gedaan.
Integendeel, we willen hen vrijelijk vergeven, want indien ze zo hebben gehandeld, is het omdat het systeem dat hen beheerst de ware zin van de menselijke waarden heeft verduisterd.
Onze grootste hoop is dat ze op een dag hun vergissing mogen inzien.
Om te eindigen, zouden wij nog van onze kant vergeving willen vragen aan al diegenen die we hebben gekwetst in de verschillende gemeenten gedurende al die vele jaren.
Ik realiseer heel goed dat ik zelf niet altijd de eigenschap van “vergevensgezindheid” aan de dag heb gelegd. Onder druk van de woorden “eenheid” en “uniformiteit”, die me werden opgedrongen, heb ik niet altijd rekening gehouden met de zienswijzen van anderen.
Ik realiseer me maar al te goed dat ik in plaats van te zijn gemanipuleerd, ik zelf een manipuleerder werd.
Mijn vrouw en ikzelf zijn er ons heel goed van bewust dat we niet slechts slachtoffers zijn geweest van een totalitaire beweging, maar ook medeplichtig waren.
We hopen dat de tijd al die pijnlijke herinneringen zal wegwissen.
Je eigen levenservaring
naar voor brengen kan aanzien
worden als een uitlaatklep,
een soort van therapie,
een bevrijdende daad.
Dat is zonder twijfel waar.Maar het is ook een manier
om zich te uiten aan de grote tafel
waar men alles met elkaar deelt.