“Er is niets verkeerds aan om de leer en praktijken
van een religieuze groep die men onjuist acht,
te willen weerleggen.”
Ontwaakt ! - 8 september 1997





Waar verricht de “grote schare” heilige dienst ? (1)






Laten we eens terugkeren naar de lente van het jaar 1980. Weinig Getuigen van Jehovah waren toen op de hoogte van wat er had plaats gevonden in het Hoofdkantoor te Brooklyn en rond die zelfde tijd in enkele buurgemeenten.

Zo zijn er velen die al tien of laten we zeggen vijftien of twintig jaar terug, zich hebben laten dopen maar niet op de hoogte waren van het feit dat het Genootschap op een gegeven moment ertoe over ging om een serie uitsluitingen door te voeren, die op zijn minst opzienbarend waren.

"De Koninkrijksdienst" van de maand september 1980, verklaart aldus op blz. 1, eerste kolom :

“Het doet ons verdriet bij deze gelegenheid te moeten berichten dat onlangs vijf leden van de Bethelfamilie in New York en enkele anderen zijn uitgesloten. Er was sprake van afval van de organisatie en het bevorderen van sektarische afscheidingen in enkele van de gemeenten van Gods volk (Titus 3 : 9-11). Aangezien wij nu eenmaal in een tijd leven die moeilijk is door te komen, dient het ons niet te verbazen dat dergelijke dingen gebeuren. Zoals wij door het lezen van de bijbel weten, waren er ook in de eerste-eeuwse christelijke gemeente personen die van de leer afweken.
- 1 Tim. 1 : 20; 4 :1; 2 Tim. 2: 17,18 ; 1 Kor. 15 : 12,13; Handelingen 20 : 29,30.- Wij hopen van harte dat deze personen tot bezinning zullen komen, berouw zullen hebben en tot Jehovah’s organisatie zullen terugkeren, hetgeen tot hun eeuwige welzijn zou zijn.”

Eén maand eerder, in augustus verscheen deze mededeling in de Koninkrijksdienst in het Engels.

Merk evenwel op dat de uitsluitingen niet het gevolg waren van immoraliteit, laster, diefstal of overeenkomende zonden, maar wel afval, en men heeft daarbij nog benadrukt dat het “afval van de organisatie” is.

Let ook eens op de toon van het commentaar door het Genootschap (dat zich vergelijkt met de gemeente uit de eerste eeuw) waarbij men in niet mis te verstane woorden deze “leden van de Bethelfamilie en andere broeders” beschuldigde zodat ze werden afgeschilderd als “lasteraars”, “aandacht schenkend aan misleidende geïnspireerde uitspraken en leringen van demonen”, “het geloof ondermijnend van anderen”, “onderdrukkende wolven”, “verdraaide dingen sprekend”. (volgens de bovenaangehaalde bijbelteksten).

Wat hielden die “verdraaide dingen”in dat het zich had verspreid als “gangreen” (2 Tim. 2 : 17) zelfs tot in de kern van de organisatie ?

Natuurlijk is het tevergeefs zoeken als je het antwoord wilt vinden in de publicaties van het Genootschap. Maar het is wel evident dat die uitgesloten mensen zich niet lieten bidden om tekst en uitleg te geven aan hun naasten en aan de media.

Dat deze ernstige gebeurtenissen het Genootschap schokte in het begin van de jaren 80, daarover is geen greintje twijfel.

Dat er heel veel Bethelieten waren die clandestien samen kwamen in hun kamers om enkele leerstellingen te herbeschouwen en erover te praten in de gangen van het Hoofdkantoor te Brooklyn.is tegenwoordig een welbekend feit.

Dat in diezelfde periode, één van de welbekendste onderwijzers van Gilead, Edward Dunlap, en ook één van de leden van het Besturend Lichaam, Raymond Franz zich bij hen voegden en enkele onderwijzingen in vraag stelden is evident.

Dat het Besturend Lichaam dit alles met argusogen aanzag en bijgevolg vele “dissidenten” ontsloeg, was een niet te vermijden logisch gevolg.




Voordat we de kern van het onderwerp zullen aankaarten, willen we eens de ontwikkeling van de belangrijkste gebeurtenissen in vogelvlucht overlopen van wat er zich afspeelde tussen april 1980 en december 1981.

Verschillende leden van het Bethel te Brooklyn en in de omgeving van New-York werden uitgesloten in april 1980. - Edward Dunlap maakte deel van uit van die groep.

Raymond Franz onderging niet hetzelfde lot, althans nog niet op dat moment, want men vond toen nog geen tastbaar motief om hem uit te sluiten. Wat meer is, tijdens de routinestemming in het hart van het Besturend Lichaam, werd de tweederde meerderheid niet bereikt, wat maakt dat er geen enkele beslissing dienaangaande kon genomen worden. Maar men vraagt toch aan Franz om het Besturend Lichaam en de Bethelfamilie te verlaten.

Op het einde van de maand mei 1980 stuurt Franz zijn ontslagbrief naar het Lichaam en verlaat Bethel (Dit is voor niemand een geheim, want nog steeds kunnen we het volgende nagaan in de “Koninkrijksdienst” van september 1980 (augustus in het Engels) : “We brengen u op de hoogte dat broeder Raymond Victor Franz geen lid meer is van het Besturende Lichaam en de Bethelfamilie van Brooklyn, sedert 22 mei 1980. (We willen nog benadrukken dat we het niet hebben over broeder Frédéric W. Franz, de huidige president van het Genootschap).”

t ’Is goed om te weten dat Frédéric W. Franz dus de oom van Raymond was.

Elke Getuige van Jehovah die zich de moeite wil getroosten om tussen de lijntjes te lezen, kal wel het verband zien tussen de serie van uitsluitingen en het vertrek van Raymond Franz, aangezien deze feiten werden vermeld in één en dezelfde “Koninkrijksdienst”.

Na zijn vertrek uit Brooklyn, moet Franz werk zien te vinden om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Hij krijgt werk aangeboden door een zekere Peter Gregerson, een broeder die een kleine keten van grootwarenhuizen heeft in Alabama en waar ook veel getuigen bij werken. Gregerson zorgt ook voor een woning voor Raymond waarvan hijzelf de eigenaar is. (Wanneer Raymond Franz Bethel verliet, was dit samen met zijn vrouw).

Gregerson had zich al heel wat vragen gesteld over de leerstellingen van de “getrouwe en beleidvolle slaaf”. Mettertijd werden zijn twijfels alleen maar duidelijker bevestigd. Tijdens zijn onderzoek was er een Wachttoren (waar we het voornamelijk zullen over hebben in dit artikel) die hem volledig van zijn stuk bracht (en niet alleen hem) en dit bracht hem ertoe te besluiten de organisatie te verlaten.

Daar hij zeker uitsluiting wou vermijden, schreef Gregerson een brief naar het Genootschap op 18 maart 1981, waarin hij zei dat hij niet langer verbonden wenste te zijn met de Getuigen van Jehovah.

Waarom zo’n brief ? Waarom verkoos hij liever “niet langer verbonden” te zijn in plaats van “uitsluiting” ?

Omdat op dat moment, diegene die niet langer verbonden was, niet op hetzelfde niveau werd beoordeeld als iemand die uitgesloten werd. Leden van de gemeente konden de persoon nog vrij ontmoeten en hem ook aanspreken. Het was toen alleen maar wanneer men zich had teruggetrokken wegens deelneming aan een politieke partij, of indien men een job had in die zin dat het in conflict was met de Bijbel of wanneer je militaire dienst deed, dan kwamen die sancties overeen met die van een uitgeslotene. Dus, geen uitsluiting of een behandeling als een uitgeslotene, wanneer je om persoonlijke redenen geen deel meer wenste uit te maken van de organisatie.

Je mag ook niet vergeten dat Gregerson ervoor zorgde dat dertig medegelovigen werk hadden. Daarbij mag men ook niet uit het oog verliezen dat hij zelf een hele grote familie had waarvan bijna iedereen een Getuige van Jehovah was.
Zijn uitsluiting zou voor heel veel problemen hebben gezorgd. Eerst en vooral zouden zijn werknemers zich in een heel delicate en ongezonde situatie hebben bevonden ; namelijk die van “werknemer zijn bij een uitgesloten baas”. En dan had je nog zijn band met de meeste van zijn familieleden die zou verbroken worden..

Een eenvoudige terugtrekking was meer aan te bevelen.



Maar hoe zou het Genootschap nu te werk gaan om Raymond Franz uit te sluiten ?

Hun strategie zou én een intelligente én een berekende manier van doen aan het licht brengen.

Wat was de beste manier om deze hinderlijke persoon voor goed buiten spel te zetten ? Hem aldus klasserend onder de noemer “verraders” door de regels te veranderen die nochtans al lang bestonden ? Zou dat niet de beste methode zijn om elke vorm van “terugtrekking” op gelijk niveau te stellen met die van “uitsluiting” ?

Het zij zo ! – Het Genootschap laat in de Wachttoren van 15 september 1981 (in het Engels) het volgende artikel verschijnen waarin staat : “Dus, als iemand die een christen was het verkiest zich aan te sluiten bij degenen die door God zijn afgekeurd, zou het voor de gemeente passend zijn door middel van een korte bekendmaking te erkennen dat hij zichzelf heeft teruggetrokken en niet langer een van Jehovah’s getuigen is. Personen die zichzelf in de categorie plaatsen van degenen die, “niet van ons slag” zijn door het geloof en de leer van Jehovah’s getuigen weloverwogen te verwerpen, dienen passenderwijze net zo beschouwd en bejegend te worden als degenen die wegens kwaaddoen uit de gemeenschap zijn gesloten. ”(vertaling in het Nederlands komt uit de Wachttoren van 1/12/1981 –Hoe uitgeslotenen te bejegenen- pag. 22 § 15,16 – onder de titel “Degenen die zichzelf terugtrekken”.



Heeft men er wel eens bij stil gestaan wat deze nieuwe procedure betekent ?

Met als doel een rekening te vereffenenen met Raymond Franz, en een springplank klaar te hebben om hem gemakkelijker uit te sluiten, stelt het Genootschap een regel vast die nu alle Getuigen van Jehovah straft !

Ja, de “broeders en zusters” over de hele wereld moeten het nu bekopen want men moet absoluut Raymond Franz straffen !

En ja, in augustus 1981 ziet men Franz in gezelschap van Gregerson, een maaltijd nuttigen in een restaurant. Wegens de gegevens uit de Wachttoren van 15 september 1981 (Engels) zal deze maaltijd het perfecte motief zijn om een uitsluiting te verkrijgen ‘volgens de regels’. Zegt het tijdschrift tenslotte niet “dat een maaltijd een tijd van ontspanning en gezellige omgang is ? De bijbel verbiedt in deze publicatie derhalve ook gezellige omgang, zoals samen met een uitgeslotene picknicken of een feestje vieren, een balspel spelen, naar het strand gaan of de maaltijd met hem gebruiken.” (Wachttoren 1/12/1981 § 18)

Aldus werd Raymond Franz op 31 december 1981 onder druk van het gerechtelijk apparaat van de Wachttoren, uitgesloten. Zoals het in het tijdschrift “Time” naar voor kwam, zou hij de hemel verloren hebben voor één maaltijd.

Hij was een getuige van Jehovah sedert 1 januari 1939 (dus, exact 43 jaar lang) en lid van het Besturend Lichaam sedert 1972.
Hij heeft veel artikelen geschreven voor de Wachttoren. Eén van zijn merkwaardige uitgaven was : “Hulp tot begrip van de Bijbel” die hij redigeerde in samenwerking met andere Bethelleden.




Maar laten we nu terugkeren naar de gestelde vraag van enkele paragrafen terug : wat waren de “verdraaide dingen” die de organisatie op zijn kop heeft gezet ?

Wel, heel veel punten werden van onder het tapijt gehaald, namelijk de leerstellingen over de “twee bestemmingen” geleerd door de getuigen van Jehovah. Deze leerstelling deelt de “ware christenen” in twee onderscheiden klassen : 1) de klasse van de 144.000 uitverkorenen die een hemelse hoop koesteren, en ook het grote voorrecht hebben om samen met Jezus te regeren,
en 2) een andere klasse bestaande uit al de andere discipelen van Christus die verlangen om eeuwig op een in een paradijs veranderde aarde te leven. Uit deze leer zal een zonderling axioma (zonder bewijs aangenomen stelling) voortvloeien, maar dan één dat erg betwistbaar is : Jezus is niet de middelaar tussen God en de mensen (in het algemeen), maar alleen een middelaar tussen God en deze 144.000 uitverkorenen. (Zie de opmerkelijke bewering van het Genootschap dat benadrukt, dat de Bijbel niet beweert dat Christus de middelaar is tussen God en “alle” mensen, maar alleen middelaar tussen God en “de” mensen) – (Zoek de "Vragen van Lezers" maar op waar je de overvloedige bewijzen zult krijgen in de Wachttoren van 15 juli 1979 evenals het artikel uit de Wachttoren van 15 februari 1980 “Voordeel trekken van één Middelaar tussen God en de mensen.” blz. 22-29 § 20.

Een ander opmerkenswaardig resultaat dat nauw samenhangt met het begrip over middelaarschap, is dat degenen die deel uitmaken van de aardse klasse niet in het nieuwe verbond zijn opgenomen (waarvan Christus de middelaar is), maar dat ze wel voordeel trekken van de goede dingen die eruit voortvloeien en ze kunnen zich verheugen in dit verbond en een particuliere relatie met God alleen hebben door het feit dat ze geassocieerd zijn met diegenen die deel uitmaken van het overblijfsel van de 144.000 levenden nog op aarde (W.T. 15/2/80).



Ten einde weer een beetje rust te brengen met al die onrustzaaiers die het bestaan van de Organisatie vergiftigden en die haar eenheid op het spel zetten, besloot het Besturend lichaam (onder andere) om eens een heel belangrijke Wachttoren uit te geven.

Die is verschenen (in het Engels) op 15 augustus 1980 en bestaat uit twee studieartikelen : “The ‘Great Crowd’ renders sacred service where ?” en “Sacred Service in this time of the end”.

In het Nederlands verscheen deze Wachttoren met twee studieartikelen op 15 november 1980 pag. 14-21 en 21-27 en ze worden als volgt verwoord : “Waar verricht de grote schare heilige dienst” en “Heilige dienst in deze tijd van het einde”.

We zullen ons lang verdiepen tijdens de volgende studie, in het eerste artikel, dat ook het belangrijkste is en we zullen heel nauwkeurig de tekst uit Openbaring hoofdstuk 7 de verzen 9-17 aan een onderzoek onderwerpen.

In plaats van orde en vrede te bewerkstelligen, heeft dit tijdschrift een reactie veroorzaakt en een golf van afkeuring die weer een nieuwe serie van terugtrekkingen en uitsluitingen tot gevolg had.

Onder degenen die zich hadden teruggetrokken, komen we de naam Jon Mitchell tegen, één van de secretarissen van het Besturend Lichaam.



Voordat we verder zullen gaan in deze kwestie, en om goed het wezen van de zaak te begrijpen van wat er zich afspeelde gedurende de jaren 1980-1981 te Brooklyn, en om heel goed de ware toedracht van de controverse en haar betrokkenheid vast te hebben, is het noodzakelijk om de betekenis van twee Griekse woorden te vergelijken die heel nauw in verband stonden met Gods tempel die in de bijbel beschreven staat.

Die twee woorden zijn “NAOS” en “HIERON” (als hi-jeron uitspreken. – Voor de uitgang “on”, splits je de o van de n, zoals in de stad “Bonn”- deze opmerking is van kracht telkens je de “on” zult tegenkomen in het Grieks).



Wat stellen “hiéron” en “naos” voor met betrekking tot de tempel ?

- Het “hiéron” verwijst naar de tempel in zijn totaliteit, de voorhoven inbegrepen. Het is als het ware de totaliteit van de tempelstructuur. - Men vertaalt dit met “Tempel”.

- De “naos” verwijst naar het hart van de Tempel, naar de meest heilige plaats. - Die plaats die men het “Heilige” en het “Heilige der Heiligen” noemt. Men vertaalt het ook met “Heiligdom”, “Heilige Tempel”, “Tempel” alhoewel deze laatste vertaling tot verwarring kan leiden met het woord “hiéron”. Om de originele vertaling van “naos” weer te geven, hebben we een goede vertaling van de Bijbel nodig die “heiligdom” of “tempelheiligdom” zal gebruiken.

William Vine (heel dikwijls bij andere gelegenheden aangehaald door de Getuigen van Jehovah) geeft een uitstekende definitie in zijn "Verklarende woorden van het Nieuwe Testament" (“Vine’s Expository Dictionary of New Testament Words”) :

1. Hiéron – Het neutrale naamwoord hiéros, “heilig” wordt gebruikt als een zelfstandig naamwoord om een heilige plaats, een tempel” aan te duiden - bijvoorbeeld, die van Artemis (Diana) – of ook die van Jeruzalem. Het woord wordt gebruikt voor het volledige gebouw, met zijn omtrek en andere delen, maar wel onderscheiden van naos, het “binnenste heiligdom.”
Behalve in de Evangelies en de Handelingen, wordt “hiéron” enkel en alleen gebruikt in 1 Kor. 9 : 13. Christus sprak tot zijn toehoorders op een plein van het voorhof waar iedereen toegang had.
“Hiéron” wordt nooit metaforisch gebruikt. De bouw van de tempel waarvan sprake is in de Evangelies en in het boek Handelingen werd begonnen in 20 v. G.T.door Herodes. Die tempel werd vernietigd door de Romeinen in 70 G.T.

2. Naos - “een kapel of heiligdom”.
Naos werd gebruikt :
- Bij de heidenen, om een kapel af te beelden waar een afgod werd beschermd (later, geminiaturiseerd).
- Bij de Joden, om een heiligdom in de “tempel” aan te duiden. In dit heiligdom hadden alleen de priesters het wettelijk recht om er binnen te gaan.
Omdat Jezus uit Juda kwam, kon hij daarom geen priester zijn. Hij is nooit gedurende zijn leven in de naos van de tempel te Jeruzalem binnen geweest.
- Stelt metaforisch Christus voor, om zijn eigen fysiek lichaam af te beelden.
- In het onderwijs van de apostelen, steeds metaforisch, om de Kerk aan te duiden, het mystieke lichaam van Christus, of ook een lokale gemeente, of het fysieke lichaam van een gelovige individueel beschouwd.
- Om de “Tempel” af te beelden in het visioen van de Openbaring.
- Om God, de Almachtige samen met het Lam aan te duiden, als zijnde een “Tempel” van het hemelse Nieuwe Jeruzalem.



Het verschil tussen hiéron en naos wordt keurig gedefinieerd in de Wachttoren van 1 augustus 1961 (in ’t Frans) met als titel “De tempel in de tijd der apostelen”.- pag. 236.
Daar staat : “In werkelijkheid, omvatte die tempel niet slechts één gebouw, maar verschillende constructies waarvan het tempelheiligdom centraal stond. De originele taal verklaart dit op een exacte manier, want de schrijvers van de Schrift maakten een verschil wat dat gebruik betreft, tussen de twee woorden hiéron en naos. Hiéron verwees naar het volledige terrein behorend tot de tempel, terwijl naos werd toegepast op de structuur zelf van de tempel, die de tabernakel uit de woestijn verving.”

In het boek ”Dan is Gods mysterie voleindigd” (1970), vindt men een overeenkomstige uitleg : “Het tempelheiligdom (Grieks : naos) nam slechts een gedeelte van het tempelterrein in beslag…” pag. 302 §4.

Dit onderscheid kun je ook vinden in het boek “Hulp tot begrip van de bijbel (1971) pag. 1486 - Onder de rubriek “Tempel” : (Grieks hiéron "tempel", naos “heiligdom, woning (in het bijzonder van een god), tempel”).

Het bijbels woordenboek “Insight on the Scriptures” (2 volumes) gepubliceerd door het Genootschap in 1988 (tegenwoordig beschikbaar in het Nederlands met als titel “Inzicht in de Schrift” is heel ontwijkend wat het maken van een onderscheid betreft. Onder de rubriek “Tempel” zegt het als volgt : (pag. 1002) : "De woonplaats van een god, een heilige plaats of heiligdom, hetzij letterlijk of geestelijk, waar aanbidding wordt beoefend. Het hebreeuwse woord hékhal’, dat met ‘tempel’ wordt vertaald, betekent ook “paleis”. De Griekse woorden hiéron en naos worden beide met “tempel” weergegeven en kunnen op het gehele tempelcomplex duiden of op het centrale gebouw ervan ; naos, dat “heiligdom” of “godswoning” betekent, duidt soms (in de Engelse tekst “at times”) specifiek op de heilige binnenste ruimten van de tempel.”

(Let op het onjuiste en overmatig gebruik van “at times”/ soms, alhoewel “naos” hoofdzakelijk de inwendige delen betekent ! [Heilige en Allerheiligste]).




We keren nu terug naar het commentaar van William Vine. Uit zijn opmerkingen volgt dat de term ‘hiéron’ alleen in de Schrift werd gebruikt om de aardse tempel aan te duiden, het gebouw gemaakt uit steen, hout, kostbare metalen en andere materialen.

Daar de hemelse tempel (namelijk in de discussie die ons interesseert, door Johannes wordt aangehaald in het boek Openbaring) niet materieel is, zou het onlogisch zijn dat de apostel het zou vereenzelvigen met “HIERON”.

Daarom gebruikt Johannes NAOS om het geestelijk gebouw aan te duiden. Verlies ook niet uit het oog, dat volgens de Bijbel, NAOS, namelijk het heiligdom, of tempelheiligdom, de hemel zelf afbeeldt.

Bijgevolg is de tempel in de hemel niets anders dan de naos in zijn totaliteit, en kan niets anders zijn dan het heiligdom.

Het probleem is het volgende : Hoe is het mogelijk dat de “grote schare”, gezien vanuit het oogpunt van Johannes in de Openbaring, zich niet in de hemel bevindt, maar op de aarde, alhoewel de originele Griekse tekst zonder dubbelzinnigheid aantoont dat ze zich in de naos of het heiligdom bevinden, dat eigenlijk in de hemel is ?

Ziehier nu deze tekst zoals in Openbaring hoofdstuk 7; vers 15 staat, waar sprake is van een grote schare (tweede deel van het vers) :

Kai (en) latreuousin (zij verrichten heilige dienst) autô (aan hem) èmeras(dag) kai (en ) nuktos (nacht) èn (in) tô (de) naô (goddelijke woonplaats) autou (van hem)

(uitspraak van de Griekse tekst en letterlijke vertaling).

Men merkt hier op dat degenen die tot de grote schare behoren heilige dienst verrichten in de “naos”. – Daar de Griekse taal onderhevig is aan verbuigingen (zie verder), is de schrijfwijze naô eigenlijk afkomstig van het woord “naos” verbogen in de datiefvorm. (na “èn”, in).

De tekst die we zojuist hebben aangehaald komt uit het boek “The Kingdom Interlinear Translation of the Greek Scriptures” (afgekort als KIT) en werd gepubliceerd door de Watch Tower Bible &Tract Society of Pennsylvania in 1969.

De personen die dit boek in bezit hebben en die de mogelijkheid hebben om dit na te gaan, zullen opmerken dat bij de woord- voor- woord- vertaling in het Engels, men de uitdrukking “goddelijke verblijfplaats” onder het woord “naos” vindt, in Openbaring 7 :15, terwijl er in de vrije vertaling in de tweede kolom,de uitdrukking “goddelijke verblijfplaats” wordt veranderd in het woord “tempel”.

Hoe kan men nu de grote schare vanuit de hemel (naos, heiligdom, tempelheiligdom) naar de aarde doen “verhuizen” (of, zoals de organisatie verduidelijkt, naar het aardse voorhof van de tempel of het “voorhof der Heidenen” ) ?

Blijkbaar is niets eenvoudiger ! Het Genootschap zal een kunstmatige “uitbreiding” enten met het woord naos, door te beweren dat het ook kan, in sommige gevallen, de tempel in zijn geheel afbeelden, met zijn uitwendige structuur. (Zie "Inzicht in de Schrift").

Aldus, wanneer het boek Openbaring bevestigt dat de grote schare in de naos aanbidt, zal ze zeggen : Ja, maar men moet een andere betekenis geven aan “naos”. Men moet hieronder verstaan dat de grote schare zich niet in de tempel bevindt, maar buiten de tempel, in de aardse voorhoven van de tempel.



En wat ongelofelijk overkomt, wordt werkelijkheid. Men gaat veronderstellen dat wat Johannes heeft gezien eigenlijk niet dat is wat hij heeft gezien !

Neen, waarschijnlijk heeft Johannes de grote schare niet gezien in de naos (door de Griekse tekst niet serieus te nemen), maar ziet hij ze in het voorhof van de tempel die bestemd was voor de Heidenen !

We krijgen het bewijs van dit herbezochte visioen van de apostel in de Wachttoren van 1 juli 1996 op pag. 20 waar men zegt : “Aangezien zij (de leden van de grote schare) geen geestelijke, priesterlijke Israëlieten zijn, zag Johannes hen blijkbaar in de tempel in het buitenste voorhof der heidenen staan.”

Deze uitleg is ongeloofwaardig en gedurfd ! Johannes, geleid door de heilige geest, schrijft wat hij werkelijk ziet, een grote schare die aanbidt (heilige dienst verricht) “èn tô naô,“ in het heiligdom”.

Het Genootschap moet er zich zeker van bewust zijn welke vrijheid zij neemt met de Heilige Schrift, aangezien ze haar zaak tempert met een voorzichtig “waarschijnlijk”.

Maar “laten we niet dramatiseren”, zal ze zeggen. “Indien wij nauwkeurig beschrijven dat het (waarschijnlijk) het voorhof der Heidenen is, dan ontkennen we toch helemaal niet dat de grote schare zich in de naos bevindt. We zeggen alleen dat de naos meer is dan het heiligdom, dat het een meer uitgestrekt deel is die de andere structuren van de tempel omvat.





Naar deel 2

Naar index